Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorstelling te vormen, die eensdeels zich zoo goed mogelijk aan de werkelijkheid aansluit, aan den anderen kant een overzichtelijke berekening toelaat.

Meslin vat nu de laag op als een opvolging van oneindig dunne terugkaatsende lagen, wier onderlinge afstand gelijk is aan de halve golflengte van 't licht waaraan de photographie voor hare ontwikkeling is blootgesteld geweest. Zij komt dus eenigzins overeen met het medium dat wij in het vorige hoofdstuk beschouwden. Verder stelt Meslin zich voor dat de laag zich aan de eene zijde tot in het oneindige uitstrekt.

Wat de overeenstemming met de werkelijkheid betreft, laten deze onderstellingen nog al wat te wenschen over, vooral daar gebleken is dat men de beste photographieën verkrijgt als de plaat slechts 3—5 golflengten dik is.

We beschouwen nu loodrecht invallend licht met de amplitudo 1. Het teruggekaatste licht bestaat uit een aantal deelen, afkomstig van de verschillende terugkaatsende vlakken. Nemen we aan dat van elk dier vlakken de amplitudo van het teruggekaatste licht a maal die van 't invallende licht is en die van het doorgelatene b maal, dan kunnen we de amplitudines der verschillende deelen, waaruit het teruggekaatste licht bestaat, gemakkelijk aangeven. Om de phasen te vinden merken we vooreerst op dat bij de terugkaatsing een bepaalde phaseverandering zal optreden, maar deze is voor alle deelen gelijken geeft dus geen phaseverschil. We hebben dus alleen te letten op het phaseverschil, dat daaraan te wijten is, dat elk volgend deel tweemaal den afstand tusschen twee vlakken meer heeft afgelegd dan het vorige. Noemen we de verandering van phase bij het doorloopen daarvan <pp, voor licht van de frequentie p} dan hebben we voor de trillingen die wij moeten samenstellen:

amplitudo. phase.

<*» li

enz.

Sluiten