Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dus:

k—v k .2 i * "7:'

A -f Bi = - m I oe K dx. (8)

k = o

o

Wij denken ons nu, dat L en dus o<>k p oneindig groot wordt. Lippmann neemt aan dat de grootheid e, die in de formule (2) voorkomt daarbij tot nul nadert, zoo, dat ep = 1 wordt. Nu is:

o*

altijd eindig. 1 u ^ is wel geen convergente reeks, daar w = 1 is, maar ze is toch voor geen der in aanmerking komende waarden van u oneindig groot, behalve voor u = 1, dus behalve voor /. = of /. = een veelvoud van Hieruit 1 pk

blijkt dat 2' u en dus ook A -f Bi steeds nul is, behalve P O

als = '/. of een evenmatig deel van '/..

We vinden dus, dat in 't teruggekaatste licht alleen die stralen eene merkbare intensiteit hebben, wier golflengte gelijk is aan die van 't licht, waarmee de plaat oorspronkelijk is belicht geweest, of een geheel aantal malen daarop begrepen, 't Laatste is echter niet van practisch belang daar het zichtbare spectrum zich niet zoover uitstrekt, dat de grootste golflengten, die er toe behooren het dubbele zijn van de kleinste. Het kan echter voorkomen, dat een deel der plaat met ultrarood licht is belicht geweest, waarvan de golflengte twee maal zoo groot is als die van het violette licht van het spectrum. Vandaar dat men bij photographieën van 't spectrum dikwijls voorbij 'troode licht weer violet ziet verschijnen.

Hoewel dus de uitkomsten goed met de waarnemingen overeenstemmen. en ook 't beschouwde medium een redelijk goed

Sluiten