Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beeld geeft van de ontwikkelde Lippmannsche laag, kan hiermee nog de quaestie niet als afgedaan beschouwd worden, omdat tegen de bewerking verschillende bezwaren te maken zijn.

De resultaten berusten weer op de onderstelling dat de dikte der laag zeer groot is, wat in de practijk niet het geval is.

Van meer belang is het echter, dat voor de onderstelling dat de grootheid s daarbij niet eindig zou kunnen blijven, geen grond is aan te geven. Als men echter deze onderstelling niet maakt, zal volgens de formules voor = ). en wellicht ook voor andere golflengten de intensiteit in het teruggekaatste licht grooter gevonden worden dan die in het invallende licht, wat natuurlijk niet mogelijk is.

Bij de afleiding der formules (4) en (5) is er dan ook geen rekening mee gehouden, dat de intensiteit van 't licht, dat aan een vlak op den afstand x van 't grensvlak wordt teruggekaatst, tengevolge van de terugkaatsingen die het reeds ondergaan heeft al verzwakt is. Deze invloed zal natuurlijk meer op den voorgrond treden, naarmate de laag dikker wordt. Bovendien wordt het vraagstuk ingewikkeld door dat het licht dat van 'tvlak x teruggekaatst wordt, niet rechtstreeks tot dat vlak behoeft doorgedrongen te zijn, maar ook daar gekomen kan zijn na een even aantal terugkaatsingen in de vóór x liggende lagen. Bij de bepaling van 't phaseverschil moet er ook nog rekening mee gehouden worden, dat bij de terugkaatsingen phaseverschillen kunnen ontstaan.

Om dit geval streng te behandelen zou men formules voor de lichtvoortplanting in een medium met enkelvoudig periodieke structuur moeten kennen, hetgeen als we zooveel mogelijk vereenvoudigingen aanbrengen, neerkomt op de oplossing van een vergelijking van den vorm:

o2(1 + e» Sin1 ~—) 'f .

3 X 3 t1

De coëfficiënt in het eerste lid is hierbij als een tweeterm voorgesteld om te doen uitkomen, dat de structuur van het

Sluiten