Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zooals Schuster zelf meent bij benadering do uitkomst deiberekening maar volkomen juist.

Togen de afleiding bestaat echter een theoretisch bezwaar, daar ze wegens de onderstellingen op blz. 523 (laatste alinea) betrekking heeft op eene lichtbeweging, waarbij de amplitudo van hot invallende licht door eene divergente integraal zou worden voorgesteld.

XII.

Ook na de proeven van F. Himstedt en 6. Meijer (Ann. d. Phys., Bnd. 15, blz. 184, 1904) over het ontstaan van helium uit de radiumemanatie is het nog niet onbetwijfelbaar of dit verschijnsel werkelijk plaats heeft.

XIII

De verhandeling van L. Pfaundlor (Ann. d. Phys., Bnd. 15, blz. 371, 1904) bevat geen volledige theorie der daar besproken „Zenkersche lijnen."

XIV.

Het is van belang proeven over de dispersie en over het verschijnsel van Zeeman in verband met elkaar te verrichten.

XV.

,15 x* 9 x"1 \ /15 x1 x1 % x1 x

De sommen I + „ en 2 4 ■+— - ,

waarbij de sommaties moeten worden uitgestrekt over de hoekpunten van een zich in 't oneindige uitstrekkend cubisch net, zijn divergent voor n > 3 en convergent voor n < 3.

Sluiten