Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

De verhouding van Capito tot de Doopsgezinden.

Reeds eenige keeren heb ik CAPITO's naam in verband met de Doopsgezinden genoemd, maar nog niet duidelijk aangegeven, hoe zijne gezindheid en houding tegenover hen is geweest. Dit is eene kwestie, waarover reeds herhaaldelijk geschreven is, vergel. heberle, Capito s Verhdltnisz zum Anabaptismus, in Z. h. Th.. 1857. S. 285 ff.; Baum, Capüo und Butzer, 1860, S. 380 ff, 406 ff; KELLER, Ein Apostel der IViedertdufer, 1882, S. 148 ff; USTERI, Die Stellung der Straszburger Reformatoren Bucer und Capito zur Tanffrage, St Kr 1884, S. 456 ff; gerbert, Gesch. der Strassburger

Sectenbewegung, 1889, S. 73 ^ ff- Hct is °Pn^rkelUk' dat er zoo weinig eenstemmigheid heerscht in de beoordeeling van CAPITO's gedrag jegens de Doopsgezinden. Bij KELLER bijv. krijgen wij den indruk, dat CAPITO het eigenlijk volkomen met hen eens was, maar te vreesachtig en te karakterloos om zich openlijk bij hen aan te sluiten. GERBERT daarentegen stelt het voor, alsof CAPITO's welwillendheid jegens hen voortkwam uit zijn innig verlangen om hen te bekeeren.

Het feit dat de schrijvers, die het laatst dit onderwerp hebben behandeld, in hun oordeel zoo uiteenloopen, maakt een hernieuwd onderzoek wenschelijk. Daar komt bij, dat er ook na de lezing van de hierboven aangehaalde geschriften

Sluiten