Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Capito's houding voor ons nog veel duister blijft Door geen der genoemde schrijvers is o. a. verklaard, hoe Capito ongeveer ter zelfder tijd zoo geheel tegenstrijdige oordeelvellingen over de Doopsgezinden kon uitspreken.") Deze houding is niet te begrijpen, wanneer men, als USTERi, alleen uiteenzet, hoe Capito over den doop heeft gedacht, evenmin wanneer men slechts, zooals Hekeri.e doet, dat boek van Capito 2) bespreekt, waarin deze zijne verwantschap in godsdienstige denkwijze met de Doopsgezinden het duidelijkst in het licht stelt. Het is noodig ook zijn gedrag in de voorafgaande jaren na te gaan. Hierover worden wij het best ingelicht door zijn eigen brieven en die van Butzer, en verder ook door de getuigenissen, door de Doopsgezinden voor de overheid afgelegd. Door deze te raadplegen, iets wat de genoemde schrijvers niet of onvoldoende hebben gedaan, heb ik verschillende gegevens gevonden, waardoor Capito's houding voor ons veel begrijpelijker wordt dan tot nu toe het geval was.

Van het eerste oogenblik af, dat de Doopsgezinden te Straatsburg kwamen, gedroeg Capito zich tegenover hen anders dan Butzer. Terwijl deze terstond eene min of meer vijandige houding aannam, behandelde Capito hen welwillend. Dat hij ook veel meer belang in hen stelde dan zijn ambtgenoot, blijkt wel uit hun beider brieven: Capito spreekt telkens over hen, terwijl Butzer slechts zelden, alleen als zij hem veel last veroorzaken, van hen gewag maakt. Capito

1) Vergelijk bijv. «Ie brieven vau Capito aan Zwikoli van 8 April, 7 en 9 Juli 1527, Zn. opp., VIII, p. 44. 75 seqq., waarin hij de Doopsgezinden als uiterst gevaarlijke lieden schildert, met zijne uitlating op 31 Mei 1527 in Capitonis apologia pro Anahaptistis: »Et tarnen fateor ingenue, in plerisque extare signa timoris Domini et veran. deditionem adeoque zelurn fuco nescium. Quid enim emolumenti exilio tormentis infandis suppliciis carui sperare possent ? Testificor coram Deo, me non posse dicere, amentia potius quam diviuo spiritu vitam negligere liane presentem. Non est furor, nihil temere. nihil iracunde, sed cum iudicio et tolerantia stupenda mortem oppetunt confessores nominis christianU. Cornelius, U., II, s. 52; en Rührich, Z. h. Th1s60, S. 39 ff.

>) Commtnt. in Iloseam, in April 1528 verschenen.

Sluiten