Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar daarbij liet CaI'ITO het niet. Op denzelfden dag, 31 Mei 1527, stelde hij ten bate dezer gevangenen nog een tweede stuk op, dat ons door RöHKICH wordt meegedeeld, en dat, naar ik vermoed, het klad is van een schrijven aan een vertegenwoordiger der Oostenrijksche regeering te Ensisheim. ') Bovendien zond hij ter zelfder tijd een brief van opbeuring en troost »aan zijne geliefde broeders en zusters (te Horb), die thans door gevangenschap en lichamelijk lijden van hun geloof in Christus, den gekruisigde, getuigenis afleggen.»; J) Wijl hij in Christus met hen één is, treurt hij met hen, lijdt en draagt hij hunne gevangenschap mede. Hij tracht hen boven den angst voor het lot, dat hen wacht, te verheffen door er op te wijzen, dat deze vervolging hun niet door menschen wordt aangedaan, maar eene beschikking is van God, die zoo hun geloof beproeft en hen heeft uitverkoren 0111 Zijns naam wille te lijden. capito onderteekende den brief met de woorden : »een getrouwe broeder en deelgenoot uwer hoop in den Heer, wiens naam God weet.« 3)

Een onzer Kerkhistorici noemt dezen brief »een der schoonste gedenkstukken uit de eeuw der Hervorming.» 4)

161 bevat een afschrift in het net; niet eone enkele verbetering en het onderschrift : geben Straszburf uff den ji tag Alaii anno JJ-7- Alatthis Zeil, und die anderen diener des voorts und predikanten zit Straszburg, weder van Capito's hand. Blijkbaar heeft hij dit stuk bij zijne ambtgenooten laten circuleeren in de hoop, dat zij deze onderteekening zouden goedkeuren; immers een brief uit naam van alle predikanten zou ongetwijfeld op den Raad van Horb meer indruk maken dan een van hem alleen. Maar hij heeft den steun van zijne ambtgenooten niet kunnen verkrijgen, want dit onderschrift is weer doorgekrast en vervangen door: Wolfgang Capito und etlich Christliche brüder zu Straszburg.

l) Zie boven bi. 29, noot 1.

a) Baum, l.c., S. 375.

3) Ken voorbeeld van de gebrekkigheid en onbetrouwheid van üERliERT's boek geeft het hoofdstuk, waarin hij de verhouding van capito tot de Doopsgezinden tracht uiteen te zetten. Hij dit onderwerp, dat hij toch uitvoerig behandelt, bespreekt hij deze brieven in het geheel niet, hoewel hem uit Heberle's artikel, Z. h. Th.. 1857, S. 308 f. en uit Baum, /.r., S. 373 ff. bekend moet zijn geweest, dat zij bestonden.

4) Sepp, Kerkh. Studiën, bl. 25.

Sluiten