Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

unum hunc naevulum eum abjicere.* Hetzij zwingli door al deze verklaringen ten gunste van cellarius een weinig werd gerustgesteld, 't zij hij meende, dat verdere waarschuwingen toch niet zouden baten en de Straatsburger broeders nu zelf maar moesten ondervinden, wat voor man cellarius was, voortaan zwijgt hij over hem.

De goede verstandhouding tusschen cellarius en BuTZER, die nog uit bovenstaanden brief spreekt, bleef echter niet voortbestaan. Op den duur moest butzer wel inzien, dat beschouwingen over den doop, als cellarius verkondigde, velen van den kinderdoop afkeerig zouden maken en er niet toe bijdroegen om het aanzien der kerk te verhoogen. Daarom trachtte hij hem herhaaldelijk tot andere inzichten te brengen, maar steeds stiet hij op hardnekkigen tegenstand. De ontstemming, hierdoor bij hem gewekt, werd door andere dingen nog verergerd. Capito'S warme aanbeveling van cellarius' boek had velen in den waan gebracht, dat zijne ambtgenooten in zijne bewondering voor dit werk deelden, had zelfs het gerucht doen ontstaan, dat butzer reeds bezig was het in het Duitsch te vertalen. ') Eene dergelijke verdenking vond deze natuurlijk verre van aangenaam. Bovendien bemerkte hij met steeds klimmende bezorgdheid, hoe Capito geheel onder cellarius' invloed kwam en allengs van hem vervreemdde.

BliTZER's verhouding tot CELLARIUS en zijn ambtgenoot werd nog meer gespannen, toen in April 1528 diens commentaar op Hosea verscheen, waarin hij naar de gewoonte dier dagen zijne meeningen over de gewichtigste dogmatische vraagstukken had ingevlochten. Uit dit werk, dat hij tijdens CELLARIUS' verblijf ten zijnent had geschreven, en waarin hij openlijk voor zijn veranderd standpunt uitkwam, kan men zien, hoe Capito's belangstelling in de Doopsgezinden langzamerhand was overgegaan in verwantschap van denkbeelden. Het duidelijkst blijkt die geleidelijke toenadering uit zijne

l) Haller aan Zwingij, 4 Sept. 1527, Zw. VIII. p. 92.

Sluiten