Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook zijne beschouwing van de Schrift had zich gaandeweg gewijzigd. Volgens Cai'ITO was de bijbel wel eene getuigenis der waarheid, maar niet de eigenlijke en hoogste bron van de kennis der goddelijke dingen. Dat is God zelf en Zijn geest. Het ware geloof rust daarom niet op het woord der Schrift, maar op het inwendige, levende woord Gods, het licht der zielen, dat ons menschen verlicht. Nu is het opmerkelijk, dat hij in zijn Hosea ook spreekt van de Schrift als den toetssteen voor alles, wat als Christelijke waarheid en goddelijke openbaring wil gelden, en dus aan het onbeperkt gezag der Schrift vasthoudt. ') Hij verkondigde derhalve in hetzelfde boek twee tegenstrijdige zienswijzen. Dit is hieruit te verklaren, dat hij wel de leer van »het inwendige woord« van de Doopsgezinden had overgenomen, maar zich van zijne vroegere denkbeelden nog niet geheel had kunnen losmaken. Ook nog in een ander punt toonde hij zijne toenadering en wel in zijne verwachting, dat de volkomen heerschappij van Christus hier op aarde spoedig zou aanbreken. Dit duizendjarig rijk beschreef hij nu eens als van geestelijken, dan weer als van wereldschen, zinnelijken aard. Het volk Israël zal er eene bevoorrechte plaats in ontvangen en naar Kanaan terugkeeren om daar in vrede en geluk te leven. 2)

waarin hij Df.nck bestreed, Getrnut Warming, A VIII ff., vau Juli 1527. In September I > 2 7. Zw. opp., VIII. p. 96, verklaarde hij wel den kinderdoop in overeenstemming met de Schrift, maar hij was toch bereid om, als het in eenige kerk gewoonte was slechts volwassenen te doopen, uit liefde dit uitstel van den doop desnoods te dulden. Maar toen de Doopsgezinden den kinderdoop hoe langer hoe meer in minachting brachten, hield Bt'tzer het voor het welzijn der kerk noodzakelijk, dat de overheid dien verplichtend stelde, Capito aan Mt'SCüt.t'S, April 1530?. T/ies. Baum., VI, p. 53. liet gelukte hem ten slotte, in 1534* den magistraat tot dezen maatregel over te halen. RöHrich, Mitthiilungen, I. S. 214 ff.

') Hebfri.k, 7..h. Th., 1857,-s. 290 f.

2) Van deze verwachting omtrent »het verworpen volk» spreekt hij ook in /.ijti brief aan ZwtNGU van 31 Juli 1528, Zw. opp., VIII, p. 209. Hierin is vooral Cellarius' invloed te bespeuren. Over hem had Capitq 14 Nov. 1526 aan

Sluiten