Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

De Doopsgezinden te Straatsburg van 1528 tot 1531.

In haar plakkaat van Juli 1527 had de overheid nadrukkelijk tegen de denkbeelden van de Doopsgezinden gewaarschuwd. 1 lare vermaningen hadden echter weinig uitgewerkt. Dat kwam in de eerste dagen van Januari 1528 duidelijk aan het licht, toen alle burgers voor den »Ammeister» moesten verschijnen om, zooals bij den aanvang van ieder jaar gebruikelijk was, aan de grondwet der stad trouw te zweren. Verscheidenen maakten dit maal bezwaar tegen dezen eed en «wollten am Schwörtag die Finger nit uffheben«.')

Over de weigering van den eed, die hen telkens met de overheid in botsing bracht, waren de Doopsgezinden het onderling niet eens. Sommigen verwierpen den eed in alle gevallen. Zoo zegt de onbekende schrijver van eene korte verhandeling over dit onderwerp J) in overeenstemming met

') Röhrich, Z. h. Th., 1860, s. 42.

2) Deze verhandeling van vier bladzijden is ingenaaid in Af. A. II. E., I, (01.342 en draagt den titel Jurament 1528. De schrijver ervan is onbekend; wel staat aan den rand : vauthor forte FriDLIN Meyuek oder aber JaCob Grosz,« maar dit vermoeden is niet juist. Grosz had Straatsburg reeds in 1526 verlaten, en zat van Sept. 152; tot Juni 1531 te Augsburg gevangen, Roth, Augsb. Reformationsgesch., 1901, S. 234. 250. Ook Fridlin Meyc;er kan de auteur niet zijn geweest; hij schreef in 1528 aan de overheid, dat hij haar trouw had gezworen en dien eed steeds had gehouden, vergel. diens brief aan den Raad, Thomasarchief, Lade 45 Nr. 2, in het stedelijk archief te Straatsburg

6

Sluiten