Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gebied der stad te mijden. Kautz bleef gevangen, maar ook hij was niet bestand tegen het langdurig verblijf in den kerker; hij werd »krankheit und blödigkeit halben in den spital gethan«, waar zijne vrouw hem verpleegde. In October 1529 verzochten Capito en schwenkfeld den Raad »inen den Kutzen vier wochen zu lassen, wollen sie unterstehen, in von sim weg ab zu bringen, wo nit, M. H. wider lufifern.« Maar toen hunne bekeeringspogingen evenmin succes hadden als die van Butzer, werd ook Kautz ten slotte verbannen.1) Intusschen hadden de Doopsgezinden in de stad, sinds October 1528 van hunne voornaamste leiders beroofd, zich den geheelen winter rustig gehouden. In het daaropvolgend voorjaar evenwel, toen de algemeene en buitengewone duurte op het land 2) den trek van hunne geloofsgenooten naar de welvarende handelsstad nog had doen toenemen, veroorzaakten zij aan de overheid des te meer last. Velen werden gevangen genomen. »FinoLiNiTs Meiger, Lux Hobelmacher, Claus BrUCH, Bürgern alhier,« zoo deelt wencker mede, 3) »in deren Hausern die Versammlungen gehalten worden und viel Wiedertaufer fremde und einheimische sind verhort worden, zeigen verscheidene Mauser an, darinnen sie zusammenkommen und getaufet haben«. Op de vraag, wie hun voorganger was, zeiden zij : »sy wüssten von keinem principal oder fürsteher, Christus sei ir Oberst«. Uit het verhoor blijkt, dat zij allen waren overvallen in het huis van Claus Brucii, waar Fridolin meijger hun had voorgelezen uit een boek van hans BüNDERLIN, die vroeger predikant in Opper-Oostenrijk was geweest en zich ook onder de gevangenen bevond. Hij verklaarde, dat hij te Augsburg was gedoopt en dat hij de broeders had bijeengeroepen. Dit laatste bevestigt het vermoeden, dat hij een der voorgangers was, want alleen zij

Aussüge uus den Straszb. Rathsprotocollen. bij Cornei.Ius, /.r.. II, S. 274 f.

2) Röhkïch, Gesch. d. Kef. i. E.} I, S. 342.

3) Au zit^c aus den Verqichtbïtchern, onder Dinsdag 11a Judica (de vijfde Zondag in de Vasten), bij Cornelius, l.cII, 271; bij RöHRlCH, Z. h. Th 1860, S. 48.

Sluiten