Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne verwachting vervuld; immers 13 Januari 153° schreef Capito aan ZwiNGLl: «Videtur inconsultus impetus Anabaptistarum efferbuisse«; >) bovendien ontbreekt van Juni 1529 tot September 1530 nagenoeg elk bericht over hen. Maar wanneer dat inderdaad het geval was geweest, zou de Raad dan het plakkaat, in Juli 1527 tegen hen uitgevaardigd, in September 1530 vernieuwd hebben2), zou hij dan juist in datzelfde jaar eene blijvende commissie uit zijn midden, »die Wiedertauferherren«, hebben ingesteld, voor welke alle aangelegenheden, de Doopsgezinden betreffende, moesten behandeld worden? 3)

De reden, waarom wij in de eerste helft van 1530 zoo weinig van hen gewag gemaakt vinden, is deze, dat de predikanten en de Raad toen door den rijksdag te Augsburg geheel in beslag werden genomen. Eerst in het najaar van 1530 kregen beiden de handen weer vrij om zich met de Doopsgezinden te bemoeien, die intusschen, dank zij de genoten rust, weer sterk in aantal en invloed waren toegenomen. Daarvan geeft een klein geschrift, in het stedelijk archief te Straatsburg aanwezig, 4) het duidelijk bewijs. Het bevat het verslag van de eerste twee of drie zittingen der sWiedertauferherren», welke in October 1530 werden gehouden. Hier is niet zoozeer van een verhoor sprake dan wel van een vragen om inlichtingen aan allerlei menschen, van wie men \ermoedde, dat zij iets van de Doopsgezinden wisten. Dikwijls

l) Zw. 0pp., VIII, p. 394. ®) Köhricii, Z.h. Th., 1860, S. 34.

3) WBNCKER deelt Af. A. II. E., I, fol. 306 v° mede : »(diese Wiedertauferherren) haben ein sonder protocol darüber gehalten, wie dan dergl. sonderl, drey annocli vurhauclen von anno 153® sich anhebeud and endigend im Jahr I573.« Hiervan is nog slechts over: 1. het verslag van de eerste twee of drie zittingen dezer commissie; 2. van Wencker's hand een »\\citer Extract ausz der Widertauflferherren protocollis,« M.A.H.E., XI, fol. 372—3^1 (over de jaren 1534 tot 1546) en 3. het laatste der drie »Wiedertauferl>ücher«, beginnend in 1556.

4) a. a. 399 (13). Het geschrift, dat 28 bladzijden groot is, bestond oorspronkelijk uit losse vellen, die door verschillende hand beschreven en later verkeerd ingenaaid zijn.

Sluiten