Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marbeck strooiden zelfs uit, dat hij de predikanten tot zwijgen had gebracht, dat de Raad besloten had de reeds verdreven Doopsgezinden terug te roepen en eene kerk voor hen in te richten. ') In een ander opzicht had BüTZER meer succes. Op zijn aandrang besloot de overheid tot marbeck's verbanning, waarvoor zij als redenen opgaf, dat hij den kinderdoop verwierp, door den herdoop eene afzonderlijke kerk wilde oprichten, en de beginselen van eedsweigering en weerloosheid verkondigde. 2) Marbeck kreeg echter op zijn verzoek verlof nog vier weken in de stad te blijven ten einde zijne bezittingen te gelde te maken. Intusschen vroeg hij inzage van het geschrift, waarin BUTZER hem bij den Raad had aangeklaagd, en naar aanleiding daarvan stelde hij eene uitvoerige verdediging van zijn standpunt op, in den vorm van 29, 258 en 39 stellingen. Een afschrift hiervan met de bestrijding er naast en aan het slot eene algemeene beschouwing van BüTZER's hand, bevindt zich in het Straatsburger stadsarchief (105 foliobladz.). BUTZER geeft het hoofddenkbeeld van MARBECK's geschrift aldus weer: »in hoc(libro) affirmat miser priscorum fidem absque peccatorum remissione fuisse veraque justitia«.i) Volgens marbeck lag in de belofte aan Abraham geen rechtvaardiging of vergeving van zonden opgesloten; zonde, dood en hel zijn tot aan den dood van Christus blijven bestaan. De geest van Christus is aan niemand vóór diens lijden en sterven gegeven; de apostelen hebben dan ook eerst na Jezus' dood »den weg van Christus kunnen bewandelen«. Daarop doelt ook Jezus' woord aan Petrus, Joh. XIII vs. 36: »Waar ik heenga, kunt gij mij nu niet volgen, maar gij zult mij namaals volgen.« Voor marbeck was Christus niet de eeuwige middelaar; vandaar BüTZER's verwijt, »dasz er den ewigen verdienst Christi in zeyt ein-

') Röhrich, Z. h. Th., 1860, S. 17. Vergel. jfoh. Schwebels Jcutsche Schriften, '597. II, p. 135.

*) Pilgram Marbecks Ausweisung, bij Röhrich, Z. h. Th, 1860, S. 56. 3) Butzer aan Blaurer, 19 Jan. 1532, bij CoRNEUUS, l.c., II, S. 262.

Sluiten