Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevolgen heeft gehad, terwijl bij de eschatologische verwachtingen van LüTHER en MELANCHTON daarvan nergens eenig spoor is te vinden.

De verklaring is deze, dat de hoop op de spoedige wederkomst van Christus HüFMANN's geheele ziel in beslag nam, de spil was, waarom zijn arbeid en prediking draaide, terwijl dit bij de genoemde Hervormers geenszins het geval was. Al is het waar, dat ook zij met verlangen naar het einde der wereld uitzagen en een enkele maal hunne verwachtingen daaromtrent op bijbelsche en andere berekeningen bouwden, >) zij wachtten er zich toch wel voor aan hunne vermoedens groote waarde te hechten. J) HüFMANN daarentegen meende met groote zekerheid den dag des Heeren te kunnen aankondigen. Daar komt bij, dat hem tengevolge van zijn gemis aan eene wetenschappelijke opleiding de kennis en de geoefendheid des geestes, die noodig zijn voor eene juiste en gezonde opvatting der bijbelsche geschriften, geheel ontbraken. Wanneer hij nu maar bij de ontwikkelde en geletterde mannen, met wie hij in aanraking is geweest (TEGETMEYER, LüTHER, Bugenhagen, Butzer) een weinig tegemoetkoming en waardeering had gevonden, dan zou misschien reeds het verkeer met hen hem hebben behoed voor zijne sgeestelijke« bijbelverklaring en zijne zucht tot allegorische bespiegelingen hebben getemperd. Maar door hen bespot en afgestooten, wendde hij zich tot de onontwikkelde en eenvoudige menigte, die geen oog had voor de gebreken zijner schriftuitlegging, veeleer in zijne wonderlijkste fantasieën en voorspellingen omtrent de komst en het rijk van Christus de voortbrengselen zag van een geest, die door God was verlicht. Juist in deze concrete schilderingen, schijnbaar op getuigenissen der Schrift

'j Kostlin, M. Luther, II, S. 577 ; St. Kr., 1878, S. 126 ff. s) Toen Stiefel, predikant te Lochau en een vriend van Luther, met groote beslistheid den 19 October 1533, 's morgens om acht uur, als het tijdstip had aangekondigd, waarop de jongste dag zou aanbreken, verklaarde deze: »solcher Giaube ist lauter Lügen, denn es ist kein Wort Gottes dabei.« Kostlin, m. Luther, II, S. 325 f.

Sluiten