Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus dus in haar lichaam gedragen zonder iets van haar natuur en wezen aan hem mede te deelen. Dit lichtte HOFMANN nog nader toe door de vergelijking van het Woord Gods met de parel. De parel, die eigenlijk hemeldauw was, valt in een mosselschelp en wordt daar tot een harden steen zonder iets van de natuur der schelp aan te nemen. »Also is effen een beeld gestelt op dat eeuwige Woort, welck een warachtig hemelsdou was, wt Godes mond, onsienlic ende ooc onbegripelic, mer door den heyligen geest in die wilde mosschel der joncfrouw Maria viel en in haer een gripelic, sichtelic, vleeschelic woort ende geestelic perlin wert sonder alle aannemen, gelijck dan in der peerlen is afgebeeldet». «) Uit de vergelijking van het Woord Gods met water, dat tot wijn wordt, met een droppel hemeldauw, die in een parel verandert, blijkt, dat volgens HOFMANN het Woord Gods niet de menschelijke natuur heeft aangenomen, maar zich in de menschelijke natuur heeft veranderd. Het Woord Gods was in zijn aardschen verschijningsvorm alleen mensch: »dasWort Gottes ist im Fleisch erschienen, leiblich, greiflich, und ist ein wahrer, sichtlicher Mensch worden.« 2) Tot deze meening was HOFMANN gekomen door de behoefte om zich eene duidelijke voorstelling van Christus te vormen. Want de leer der Kerk, dat Christus twee naturen bezat en tegelijkertijd God en mensch was, achtte hij ongerijmd en onzinnig. Het Woord Gods, de praeexistente Christus, was bij de ontvangenis van Maria in een mensch veranderd; dat begreep hij en dat leerde ook de Schrift. Hij wees o. a. op Joh. I vs. 14; daar staat niet: het Woord heeft vleesch aangenomen, maar het is vleesch geworden, »darumb sye das Wort Gottesselb zu fleisch worden, das do nur ein Natur sye, aber ein hymlisch fleisch«. 3)

l) Uit zijne, in het Nederlandsch geschreven, verklaring van den brief aan de Romeinen, 15.53 A VI v°. !) Leendertz, l. r., bijl. VII.

8) Butzer /. e., ,Bi. v°. Ofschoon Zur Linden, M. Hofmann, S. iSS, 286 ff. m. i. overtuigend heeft bewezen, dat Hofmann zijne menschwordingsleer niet aan Sciiwenckfeld heeft ontleend, handhaaft Kawerau, Möllers Kirchengeschichtt, III, S. 85 deze veronderstelling.

Sluiten