Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men neme bij de beoordeeling van dezen brief in aanmerking, dat HöFMANN in 1532 waarschijnlijk niet tc Straatsburg is geweest. Wanneer niettemin de predikanten toen reeds in zoo groote onrust verkeerden, hoe moeten zij dan wel te moede zijn geweest in het voorjaar van 1533, toen hij weer zelf in hunne stad verscheen en zijne aanhangers in Neder-Duitschland en in de Nederlanden vol spanning den blik naar Straatsburg richten als de plaats, waar weldra het rijk van Christus zou worden opgericht! In 1533 zou namelijk het tijdperk van zeven jaar, dat volgens Hofmann's voorspelling aan de wederverschijning des Heeren moest voorafgaan, zijn afgeloopen. De verwachting, dat nu spoedig die groote dag zou aanbreken, wakkerde de zucht tot profeteeren, vooral in de Nederlanden, sterk aan: »Alle prophezeiungen, welche die Stadt Straszburg berühren, haben die Brüder im Niederland geoffenbart«, verklaarde HöFMANN later. ') Naar deze voorspellingen, die zich meestal aan zijn persoon vastknoopten, luisterde HöFMANN met groote belangstelling. Volgens OliBE FiLli'S 2) is hij in het voorjaar van 1533 dan ook op grond van »een Prophetye van een out man in OostVrieslandt naer Straesburch op ghetoghen, welcke van hem propheteerde, dat hy een half jaer tot Straesburch in die

worden, blijkt uit het oordeel van bevriende tijdgenooten van hen over de Straatsburger kerk. B'U.ivger schreef 1535 aan Amhrosujs Blaurer en Joh. Zwick te Constanz : «Melchioris illius (Hokmamni) Valentiuiani etblasphemi hominis, blasphemiae in Christum D iminum hoe magis terruernnt, quo Argentoratum proclivius esse video ad taliuni hominum susceptionem. Argentoratum enim confluit omnis pessimorum nebulorum et haereticorum faex. Quorum culpa fiat, ignoro. At liactenus vidimus Catabaptistas in illud tamquam in asylum se proripuisse. Cavete, fratres, cavete obsecro. ne quosvis Constantiam irrepentes suscipiatis. Moveat vos Argentoratensium exemplum«, bij Röhrich, h. Th. lSÓ3, S. 5. i11 denzelfden geest liet MvcoNir? zich uit in zijn brief aan Ca rito van 27 Juni 1533, bij Cohneliüs, l. c., II, S. 264: »F,go profecto dum diligentius impietatem istam considero, totus in hoe sum ut putem, divina providentia tam foedam colluviem isthic confluxisse, 11e niundus contaminaretur nee sequeretur quod modo < I i \ i mihi non esse dubium ni caveatur.®

') Vergichtbuch, 23 November 1534, bij Röhrich, Z. h. Th., 1860. S.78.

2) Bekentenissen B IV.

Sluiten