Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is hy in die ghevanckenis goetwillich vrolick cnde wel ghetroostet ghegaen.c ')

Het spreekt wel van zelf, dat Butzer niet lijdelijk aanzag, hoe Hofmann's invloed te Straatsburg toenam. Reeds in het najaar van 1532 had hij zijne ambtgenooten er toe overgehaald 0111 zich bij de overheid ernstig te beklagen over den bedreigden en vervallen staat van de Straatsburger kerk. Hun gemeenschappelijk optreden was niet zonder uitwerking gebleven. W el was hun verzoek om een openbaar twistgesprek afgewezen, maar de Raad had hun toch gevraagd om een schiiftelijk advies uit te brengen over hetgeen zij tot verbetering van den kerkdijken toestand het meest doeltreffend achtten. Behalve op kerkvisitatie, op bepaalde tijden te houden, op beter onderricht van de jeugd, op zorgvuldiger opleiding van jonge geestelijken hadden de predikanten vooral op eene jaarlijksche synode aangedrongen. *)

Ter voldoening aan dezen laatsten wensch had de Raad aan eene commissie uit de predikanten opgedragen voorstellen te doen over de wijze, waarop zulk eene synode gehouden kon worden. Hoewel het ingediende plan door de overheid \olstiekt niet was afgekeurd, zou de uitvoering ervan waarschijnlijk toch weer op de lange baan zijn geschoven, indien Hofmann's aanhang in het voorjaar van 1533 niet op zoo verontrustende wijze was toegenomen. Toen zag ook de l\aad wel in. dat hij moest ingrijpen en werd overeenkomstig het voorstel der predikanten tegen 't begin van Juni de synode bijeengeroepen. In het eerste deel der zitting zou een formulier van eenigheid worden vastgesteld, want eerst, wanneer alle predikanten één geloofsbelijdenis hadden onderteekend, kon men met succes tegen de sekten optreden. Daarna zouden Hokmann en andere ketters worden uitge-

') Bekenteniise, B 1\ v-. »Dit al lieve vrienden, dat ick hier schryve,« voegt ollbe Fl li i's hieraan toe, »heb ick van zijn eyghen Jongheren mondelicken ghehoort ende ontfanghen, die daghelicx vau ende tot hem gingen 11a Straesl)urch ende mijn medeghenooten ende medebroederen waren.«

2) Röhkich, Ceseh. d. Re/, i. ii, S. 36 f.

Sluiten