Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

Omkeer in Capito's gezindheid jegens de Doopsgezinden.

In een der voorafgaande hoofdstukken heb ik uiteengezet, hoe Capito's toenadering tot Sattler's aanhangers en zijn vriendschappelijke omgang met CELLARIüS hem in 1528 met Rutzer in botsing hadden gebracht. Weliswaar was die oneenigheid, vooral door ZwiNGLl's toedoen, grootendeels weer bijgelegd, maar er was toch eene zekere verwijdering blijven bestaan. Hunne geheel verschillende houding tegenover de Doopsgezinden in aanmerking genomen, was dat waarlijk ook geen wonder, want terwijl Rutzer er bij de overheid telkens op aandrong hen met opsluiting en verbanning te straffen, keurde Capito alle maatregelen van dwang en geweld ten sterkste af. Verdraagzaamheid en vriendelijke overreding waren in zijn oog de middelen om deze menschen te winnen. Er is nog een hoogst merkwaardige brief van hem aan MüSCULUS, waarin hij zijn hart heeft uitgestort, toen hij zijne ergernis over het optreden van BüTZER niet langer kon verkroppen: »quod misericordia ergo miseros (scil. Anabaptistas) teneris, vehementer probo, nam quod agitur per i 1 los, non est omnino de nihilo. Horreo semper liberam confratrum in illos actionem, cum sciam quanta reverentia, quam eximio timore praeditus Paulus agebat. — De juramento quod ab Anabaptistis hic exigitur, nondum satis convenit. Daniël Müiie (Ammeister) sublegit ex fratris nostri

Sluiten