Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

argumenta respondere, ita ut multi (scio me verum dicere) qui numquam prius nomen Buceri audire potuerunt, hominem incipiant ex animo colere. Item Papistae nonnulli, hactenus de Evangelio pessime sentientes, dicunt sibi satisfactum et incipiunt sua derelinquere. Domino sit laus et gloriaO)

Maar al heeft Butzer door zijne slagvaardigheid, zijne groote bedrevenheid in bewijsvoering en weerlegging, kortom door zijne geestelijke meerderheid zijnen tegenstanders veel afbreuk gedaan, de groote beteekenis van de synode ligt toch niet in het twistgesprek, maar in de gemeenschappelijke geloofsbelijdenis, in de eerste zittingen vastgesteld. De indruk van het twistgesprek was voorbijgaand, maar de zestien artikelen, de vrucht en het zinnebeeld van de samenwerking der predikanten, bleven steeds een krachtig wapen tegen alle afwijkende leeringen. Daardoor hoopte butzer zich dan ook voor goed de overwinning te verzekeren op de Doopsgezinden, die tot nu toe in steeds toenemende mate de Straatsburger Kerk in haar bestaan hadden bedreigd.

Er bestond echter gevaar, dat de resultaten der synode weer verloren zouden gaan, toen de overheid maand na maand bleef dralen met de bekrachtiging van de hier genomen besluiten, natuurlijk tot groote ergernis der predikanten. Dringende verzoeken richtten zij tot den Raad ; zij smeekten hem om Gods wil en om het heil en welzijn der stad toch eindelijk eene beslissing te nemen: »Ware dieses auf der Synode selber geschehen, so ware jetzt Alles langst in der Stille. Nun aber die Sach also ersitzen blieben, halt man es für Pradikantenwerk und wird gesagt, man sehe wohl, das die Herren dem Ding nicht nachfragen; da werden die Gutherzigen matt, die Bösen frech und plaget uns Gott immer mit mehr Abfall, Secten und Rotten, sammt aller verruchten Ueppigkeit des Lebens.«2)

*) Thfoiïald Schwarz, predikant aan de Oude St. Peterkerk te Straatsburg, aau MUSCUUS 8 Juli 1533, bij RöiikICH, Z. h. Th., 1860, S. 12.

s) Uit den brief der predikanten van 28 Januari 1534 aan den Raad, bij Röhrich, Z. h. Th., 1860, S. 12.

Sluiten