Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beelden, die niet van den beginne af zijn eigendom zijn geweest en die voor hem en zijne aanhangers niet het meest kenmerkend zijn, ligt het bewijs van de echtheid van het stuk.

Het spreekt van zelf, dat de predikanten met deze gedeeltelijke verandering van Hofmann's inzichten hun voordeel gedaan hebben. Zij trachtten het feit van zijne herroeping algemeen bekend te maken, maar zij zullen wel zorg hebben gedragen om niet te zeggen, wat die schriftelijke bekentenis precies inhield. Het gerucht van Hofmann's bekeering heeft zijne aanhangers diep geschokt; niet weinigen werden daardoor in hunne overtuiging aan het wankelen gebracht, enkelen zelfs hebben zich weer bij de Straatsburger Kerk aangesloten. Reeds 19 Juni 1539 meldde een hunner, Leonhard MüLLER uit Nonnenweyer, zich bij de overheid aan. Johannes Robert, een Nederlander, 1) zoo verklaarde hij, had hem verteld, dat Hofmann eenige leerstukken had herroepen en daarover geheel anders dacht dan vroeger. Daarom was hij (Leonhard) bereid het »artikel* te zweren. Dit gebeurde dan ook. Op 10 September 1539 herriepen nog drie Melchiorieten: Veltin Nessel, emmermaker, die tot nu toe uit de stad was verbannen geweest, Hans JaGER uit Andlau, vroeger door een van Hofmann's bekende volgelingen, veltin goldschmid, te Rarr gedoopt, en Diebolt eszlinger uit Börs.

Door zulke verblijdende resultaten bemoedigd, verdubbelden rascii en Kysenbi rger hunne pogingen om Hofmann tot herroeping ook van zijne lievelingsden'beelden te brengen. Begin December 1539 vroegen zij den »Ammeisterc aan Hofmann

') Af. A. II. E., XI, fol. 372 ff. Aan den rand staat de volgende opmerking, vermoedelijk van Wencker afkomstig: «gedachter Johannes hat noch mehr also bericht mit consens hiesiger obrigkcit, darauff viel gekommen und ihr ïrthumb bekennet und gehorsamet und widerrufft». Waarschijnlijk was, zooals ook Wencker vermoedde, deze Johannes Roker of Roüekt dezelfde als Johannes Etsenihtr,;er, die met Peter Tasch Hofmann trachtte te 1-ekeeren.

eige. M. A. II. E., I, fol. 305 v° en liet raadsverslag van 5 April 1540 in het raadsprotocol uit dal jaar fol. 117 v®.

Sluiten