Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(iemand, die de Doopsgezinden tot hunne bijeenkomsten samenriep) heette te zijn, verklaarde o. a., dat hij slechts drie keer hunne vergaderingen had bijgewoond, namelijk toen zij »im Schnackenloch hinder den Guten Leuten«, »auf der 111kircher Nacht\veid« en »im Liegelsheimer Wald« waren bijeengekomen. De sSchweizerbriider» en de »Hofmannisclien« waren het onder elkaar niet eens geweest; genen waren over dehonderd man sterk geweest, dezen telden niet meer dan vijf.')

RöHRICH stelt dit verhoor in 1539; het had echter op 14 October 1546 plaats. Deze datum is van gewicht, omdat er uit blijkt, dat de gewone voorstelling, alsof de Doopsgezinde gemeente te Straatsburg na 1539 en 1540 geheel te niet ging, onjuist is. Deze meening was gegrond op het feit, dat de bundel akten en bescheiden betreffende de Straatsburger Doopsgezinden, welke RöHRICH in Z.h. Th. 1860 heeft uitgegeven, slechts tot 1543 loopt, terwijl er na dien tijd ook elders geen berichten omtrent hen meer gevonden worden. Maar wanneer de gemeente toen werkelijk had opgehouden te bestaan, dan zou het toch vreemd zijn, dat de vijftig oudsten, die als vertegenwoordigers van even zooveel gemeenten van den Eifel tot aan Moravië in 1557 te Straatsburg bijeenkwamen, juist deze stad tot vergaderplaats kozen.2) Daarom heb ik de raadsprotocollen, die van 1539 af nog 'n hun geheel voorhanden zijn, eens doorgezien — voor aandachtig doorlezen zijn zij te omvangrijk, daar de verslagen van elk jaar een foliant van gemiddeld duizend bladzijden vormen. Het resultaat van dezen moeitevollen en tijdroovenden arbeid (de verslagen zijn dikwijls zoo onduidelijk geschreven, dat ik ze alleen met behulp van een deskundige 3) kon ontcijferen) was niet groot, maar toch kreeg ik de zekerheid, dat er,

1) Z./i. Th., 1860, S. 115 \ eene noodzakelijke aanvulling hierop geeft het uittreksel uit het Wiedertiiuferherreiiprotoeol op 15*4^- A. II. E.t XI, fol. 372 ff.

2) De Hooi' Scheffer, Doops%. Bijdr1894. 1)1. 47 vgg.

3) Aan de heeren Dr. J. Beknays en Dr. O. Winckelmann, archivarissen aan het stedelijk archief te Straatsburg, betuig ik hier in het openbaar mijn hartelijken dank voor hunne altijd even bereidwillig verleende hulp.

Sluiten