Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kust dus volgens art. 38 al. 2 K. op „de venuooten" de wettelijke plicht om de akte in te schrijven en openhaar te maken, het zal met het oog op art. 39 K. voor de bestuurders zaak zijn te zorgen, dat „de ven nooten" aan het voorschrift voldoen *). Textueel zullen dus door niet-insehrijving anderen getroffen worden dan wier plicht het in de eerste plaats was otn de inschrijving te bewerkstelligen.

Ten overvloede zij opgemerkt, dat ook bij „veranderingen in de voorwaarden of bij verlenging der vennootschap," het niet-publiceeren daarvan voor de bestuurders dezelfde gevolgen meebrengt (Art. 38, al. 4).

(Over de solidariteit in dit artikel later.)

Art 41 K'. „Geen actiën of aandeelen kunnen in blanco worden uitgegeven, zoolang derzelvcr volle bedrag niet in de kas der vennootschap is gestort."

Het door dit artikel beoogde doel is duidelijk; indien immers niet-volgestorte aandeelen aan toonder zouden zijn uitgegeven, zou bij eventueel gevorderde bijstorting, deze moeilijk te verkrijgen zijn, indien niet de aandeelhouders uit eigen beweging zich aanmeldden.

l) De term „de vennooten" in art. 38, al. 2, schijnt mij, juist ook door het verband met art. 39, eene slordigheid, waaraan het Ontwerp van '-'1 October 1835 zich heeft schuldig gemaakt. Immers door de afzonderlijke Afdeeling. die bij dat Ontwerp werd gevormd voor de naaml. vennootschap, werd art. Ij van het Ontwerp van 1 April 1835 gesplitst, en daarmee werd tevens de verplichting van inschrijving, die in art. 15 (Ontw. April 1835) op „de bestuurders van naamlooze maatschappijen" rustte, overgebracht op „de vennooten".

Ontwerp 1871 (art. 21) en Ontwerp 1890 (art. 52) verplichten terecht de bestuurders tot de inschrijving.

Sluiten