Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verklaard worden. Nu evenwel de verplichting zoo onomwonden wordt uitgesproken, meen ik dat zij op grond van algemeene rechtsbeginselen aangesproken zullen kunnen worden. 1) Het zij hier reeds opgemerkt, dat de solidariteit van al. 2 niet ook op al. 1 toepasselijk zal zijn en dit, volgens art. 1318 R. \Ybij ge breke aan uitdrukkelijke bepaling.

Thans vereischt al. 2 nog eenige nadere toelichting, daar de redactie onzuiver is en eene bedenkelijke rechtsonzekerheid schept. Moge, wanneer de wet zich duidelijk uitspreekt, dc beraadslaging over eenige bepaling daaraan niet te kort doen, hier is evenwel bij de aanduiding der ratio legis geoorloofd, zich te laten voorlichten dooide bij de behandeling geuite denkbeelden.

Terwijl al. '2 van art. 34 Ontwerp 2 l October 1885 eindigde niet de bestuurders verantwoordelijk te stellen voor alle verbintenissen, welke zij na het bestaan van die vermindering lebben aangegaan, wenschte terecht de 2C afd., „ten einde de bestuurders niet te onbepaald te bezwaren", gesteld te zien: „verantwoordelijk voor alle verbintenissen, welke zij, na van het bestaan dier vermindering kennis te hebben i/en omen, hebben aangegaan '. (vgl. de tegenwoordige redactie).

Aangezien derhalve ook hier de wetenschap van bestuurders geëischt wordt als voorwaarde voor de aansprakelijkheid, kan, naar mijn inzicht, onder den term

1t Vgl. Wetb. v. Kooph. met aanteekeningen van Mr. C. D.Asser c. s., ad art. 47.

Sluiten