Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De regelen daaromtrent gesteld zijn in het algemeen ter bescherming van drieërlei belangen

1°. die van hem, wiens vermogen verminderd wordt.

2e. die van zijne crediteuren.

3°. die van sommigen zijner bloedverwanten.

Dat er ook in onze wet bepalingen omtrent vermogensverminderingen voorkomen, is gemakkelijk aan te toonen. Men zie b.v. slechts art. 968 B. W. bepalende , dat men ter berekening van het wettelijk erfdeel hij de op het overlijden aanwezige goederen moet voegen het beloop der goederen, waarover bij giften onderdo levenden beschikt is.

A\ at kan nu de eenige rationeele beteekenis zijn van deze bepaling? Geeno andere dan deze. Do wet verzekert aan sommige personen een gedeelte van het vermogen \an bepaalde bloedverwanten, het zoogenaamde wettelijk erfdeel, waarover de erflater alzoo onbevoegd is te beschikken om niet. Het zoude natuurlijk niet voldoende zijn alleen de beschikkingsbevoegdheid krachtens testament te beperken. Ook bij het toekennen bij het leven van voordeelen, waardoor iemands vermogen verminderd wordt, moet rekening gehouden worden. Dit geschiedt in art. 968 B. W.

In dat artikel versta ik — omdat de meeste schrijvers die vereischten stellen — voorloopig onder gift elk voordeel onder de levenden uit vrijgevigheid aan iemand toegekend en door dezen als zoodanig aangenomen, waardoor het vermogen van den erflater is verminderd en dat van den begiftigde is vermeerderd. Het is duidelijk, dat het voor de toepassing van art. 968B. W. niets ter zake kan doen op welke wijze die bevoordeeling heeft plaats gegrepen. Waar het op neer komt is slechts

Sluiten