Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit, of hot opzettelijk gewilde gevolg bevoordeeling van den een ten koste van het vermogen des erflaters is ingetreden. Niet de vorm der handelingen doch haar economisch karakter is de grond der bepaling. Iedere andere opvatting van art. 968 B. W. is onredelijk en, wat dit punt betreft, het is steeds onder alle wetgevingen, die het wettelijk erfdeel kennen, zoo opgevat en tegenspraak zal hier wel niet te duchten zijn.

Andere bepalingen van dezen aard zijn b. v. de artikelen 42—46 derFaillissementswet en een artikel, waar duidelijk blijkt, dat onze wet niet het oog heeft op een of andere bepaalde rechtsfiguur, doch enkel op het voordeel gelet wil hebben is art. 237 B. W., dat aan den man of de vrouw, afkomelingen uit een vroeger huwelijk hebbende, verbiedt aan een nieuwen echtgenoot bij liuwelijksche voorwaarden meerdere voordeelen te bespreken dan bij art. 236 B. W. omschreven.

Om niet den blik op de hoofdzaak te belemmeren laat ik voorloopig geheel buiten beschouwing of de handeling, die het gewilde gevolg—vermeerdering van het eene, vermindering van het andere vermogen — voortbracht, noodwendig eene overeenkomst of wel rechtshandeling moet zijn of dat eene bloote handeling voldoende is. Waar het aankomt op het gevolg, kan de juridische betiteling van de handeling, die dat gevolg voortbracht, niet ter zake doen.

Verschil in opvatting — dit wil ik nog opmerken en ook dit laat ik hier geheel buiten beschouwing — kan bestaan en bestaat maar al te zeer omtrent de juiste vereischten, waaraan de voordeelen moeten voldoen, voornamelijk de vragen of het een vereischte is, dat het vermogen van den een vermindert door het toegekende

Sluiten