Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Besluite ik mijne beschouwing over de bepalingen der faillissementswet door er met een enkel woord op te wijzen, dat er uit valt af te leiden, dat het voor de toepassing van een schenkings- of bevoordeelingsregel niet noodzakelijk is, dat de bevoordeeler zich verarmt, dat in de niet-vermeerdering van zijn vermogen ten behoeve van een ander, en daaronder dus begrepen in het toekennen van gebruikswaarde, alzoo schenking ligt. ')

Het verwerpen eener erfenis zal vernietigd kunnen worden.2) Wat betreft de toekenning van gebruikswaarde merk ik op, dat vernietiging dier toekenning alleen kan

*) Vgl. Memorie van Toelichting (v. d. Feltz I blz. 439): „De schuldenaar moet eene handeling verricht hebben. Het is goheel onverschillig, waarin die handeling bestaat, of van wolken aard zij is. Zij kon zoowel strekken tot vermindering, als tot niot-vermoerdering van liet vermogen; men denke aan het verwerpen eener erfenis."

') Onder „handelingen, waardoor de schuldeischers benadeeld zijn," valt het letterlijk zeker, maar valt het onder de schenkingen van de art. 44 en 45, of m. a. w. gesteld in de artikelen ware alleen van schenking sprake, zoude dat verwerpen dan al of niet vernietigd kunnen worden? Mij komt het ongetwijfeld voor van wel. Het eenige noodige criterium voor schenking of bevoordeeling — zooals men het dan noemen wil — is er, daarbij moet hier nog komen vermogensvermindering. i)e vraag is nu, is deze er. M. i. wel. Burckhard *) is echter van andere nieening. Niet omdat er geen schenking zou kunnen zijn, maar omdat er voor do toepassing van den betreffenden rechtsregel meer noodig is dan do minimale eisch. Schenking zou er wel kunnen zijn, „aber sio würde trotzdem von dieseu Bestimmingen nacli ihrer ratio nicht getroffen werden, da die Glüubiger wohl verlangen können, dass dor Schuldner das bereits vorhandene Vermogen ihnen nicht entziehe nicht abor aucli dass er sich einer in dem Hinterlasscn der ihm müglichen Vermehrung seiucs Vermogens liegenden Minderung des Vcrmügcnsstands enthalte."

Wanneer mij eene erfenis is opgekomen en ik verwerp die, dan verminder ik m. i. mijn vermogen. Ja, ik weet wel, ik word door do verwerping geaoht nimmer erfgenaam geweest te zijn en dus nooit de in do erfenis begrepen zaken in eigendom gehad te hebben, doch dat is slechts fictie. Hier voel ik meer voor de werkelijkheid.

*) Znui Begriff des Sohenking blz. 21; vgl. ook blz. 75.

Sluiten