Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scherming. J) Bij de Afscheiding in 1884 b.v. was het gebleken, dat „leden der Gereformeerde Gezindheid" 2) in stede van beschermd, door de Overheid waren vervolgd, hoewel er niets door hen was gedaan, waardoor zij die bescherming hadden verbeurd. Vervolgens sprak hij van „het publiek recht der Gezindheden" en deze uitdrukking omschreef hij aldus: „waar van godsdienst en zedelijkheid sprake is, mag de Staat niet eigendunkelijk te werk gaan; het geloof der Gezindheden behoort het rigtsnoer der Regeering te zijn." :1) Deze beschouwing hing samen met de plaats die men aan de Gezindheden in den Staat toekende, of men ze nl. enkel als particuliere genootschappen moest beschouwen, dan wel dat haar ook een publiek karakter moest worden toegekend.

Vóór dit punt te behandelen, dient nog vernield, welke Groen's meening was, betreffende het al of niet wenschelijke eener heerschende Kerk en de grondwettige gelijkstelling van alle gezindheden. Afzonderlijke vermelding

') Vóór de herzieningen van 1840 en 1848; art. 191: „Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend."

De Afgescheidenen zijn geen nieuwe secte; zij zijn leden der Gereformeerde Gezindheid. Als zoodanig hebben zij, met de leden van het Hervormd Kerkgenootschap, aanspraak op die £lelijke bescherming,.... Afvalligen vvelligt van het Kerkgenootschap, maar voorzeker getrouwe leden van de Gezindheid, van de kerk." De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsregt getoetst, 1837, bl. 60. Ook Nedeki.ani>sche Gedachten IV, bl. 291 zegt hij: „in 1837 kwam ik op voor de gewetensvrijheid der leden van de Hervormde Gezindheid, ook buiten het gouvernementale Kerkgenootschap."

:i) Adviezen in de Tweede Kamer der S.-G., dl. II, bl. 62.

Sluiten