Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarborg voor verdraagzaamheid geeft, dan een Staat, die erkent: ik ben niet omnipotent, en het belijdt: dat „de wereld behoort tot het gebied van Hem, die alle inagt in Hemel en op aarde bezit." ')

Onderwerping derhalve van overheden en onderdanen, niet aan de Geestelijkheid van de eene of andere kerk, maar aan de Goddelijke wet, was hetgeen hij verlangde. In dezen zin kon hij ook met instemming herhalen „wat v. Alphen, twee jaren vóór 1795 schreef: „Eene lieerttchende Godsdienst (dus niet: eene heerschende kerk) moet niet afgeschaft, maar in deszelfs staatkundige betrekking tot de verdragene gezuiverd, en de openbare zorg voor deze laatsten edelmoediger en volkomener worden gemaakt": „De ware Volksverlichting, p. 71." 2)

Duidelijk werd het in de Tweede Kamer in 1840 door hem uitgesproken, hoe hij tegen eene heerschende Kerk was. Wezenlijke vrijheid voor allen, dus ook voor iedere gezindheid, nu er van geen heerschende Kerk meer kon worden gesproken, was alleen te vinden door „toepassing van het christelijk beginsel", maar „die toepassing in de tegenwoordige gesteldheid des Vaderlands den vorm te willen doen aannemen eener heerschende Gereformeerde Kerk", noemde hij „eene onzinnige proefneming." '•)

'I Beschouwingen, enz. (zie noot 2), bl. 206. „De Staat onder worpen niet aan de Kerk, maar aan het Hoofd der Kerk, Jezus Christus, wien alle magt gegeven is in Hemel en op aarde, wiens Kijk niet van of uit. maar over de wereld, en wiens gezag, als van den Koning der Koningen, verbindend ook voor de hoogste aardsche magten en overheden is." 11 and is. der Gesch. enz., bl. 55.

Beschouwingen over Staats- en Volkebenregt, bl. 205. 3) Adv. in de Tweede Kamer in dubbelen getale, 1810, bl. 145.

Sluiten