Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nederlandsche Natie wil tolerantie; maar geene zoodanige waarbij, onder voorwendsel van den Joden te believen, ten gevalle van vrijzinnige licht vrienden in elke gezindheid, Christelijke wetgeving in den staat, Christelijke opvoeding in de Volksschool, systematisch zou worden ter zijde gesteld."

Zoo beklaagde hij zich in 1884, (in verband met de tusschen Noord- en Zuid-Nederland gerezen moeielijkheden) dat „men in Holland en België dat soort van verdraagzaamheid invoert, hetwelk alle godsdiensten evenzeer beschermt, en zich aan niet ééne, aan de evangelische evenmin als aan de heidensche onderwerpt"1.) Hier spreekt dus een onomwonden afkeer uit tegen de godsdiensteloosheid, welke een gevolg was van de „gelijke bescherming". Daarmede in overeenstemming gaf hij zijn misnoegen te kennen over artikel 101 der Grondwet -') dat „uit een christelijk standpunt beschouwd moeielijk zal geduld kunnen worden. Het kan bijna niet ten uitvoer worden gelegd. Hoe. bij voorbeeld is overeen te brengen dat de Gereformeerde Kerk, in zoovele opzigten den invloed van centralisatie en administratie, als ware zij van het wereldlijk bestuur afhankelijk geworden, ondervindt, terwijl men met het hoofd der Catholijken, als met eene zelfstandige, onafhankelijke magt, overeenkomsten sluit." ')

Een tweeledige grief derhalve; in de eerste plaats wilde hij in bedenking geven, dat door het losscheuren van den Staat van de christelijke Kerk, juist de verdraag-

') Beschouwingen en/.., lil. 202 en 203. '■') Zie noot 1. bl. 12.

Sluiten