Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak sluit Groen zich aan bij het gevoelen van Kemper, die „het gedrag dat eene Regeering, l>ij inwendige verdeeldheden eener Gemeente te houden heeft, in twee punten resumeert: bescherming dergenen, die aan de oude grondslagen getrouw zijn; vrijheid, voor hen die daarvan verschillen, om eene nieuwe Gemeente te vormen." ')

Door de Grondwetsherziening van 1848 waren „de Kerken, de Gezindheden", als „zelfstandige en onafhankelijke corporatiën in den Staat" erkend. Dit werd door Groen in de Tweede Kamer dankbaar erkend, doch tevens leidde hij daar verschillende gewichtige gevolgen uit af.

„Vooreerst, dat al wat naar een jus in attent zweemt, vervalt. Ten andere, dat aan de Kerk, als zelfstandige corporatie, toegekend wordt, wat tot haar bijzondere administratie en eigen zaken behoort; dus de vrijheid van bijzonder onderwijs, en de volkomene onafhankelijkheid der tliakonirn. Ten derde, dat deze corporatiën, evenals alle andere, regt hebben op de bescherming welke van Gouvernementswege aan alle personen en aan alle corporatiën in den Staat toekomt; dat ze aan de Kerk, ook weder gelijk aan alle andere corporatiën, moet

hl. NO: „De Staat is bevoegd en verpligt om, . . . . iu iedere Kerk, uit den aard der /.aak, handhaving der Kerkleer te verlangen."

De eigenaardigheid van eene kerk. hetgeen haar karakteriseert is juist, dat zij eene belijdenis heeft; daardoor onderscheidt zij zich van ieder andere corporatie. Zie ook Anv. II, bl. 254, en noot 1 van bl. 27 hierna.

') Het Regt der Hkrv. Gezindh., bl. 117: van Kemper geciteerd: Verhandeliutjen III, 177.

Sluiten