Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen vrijheid der Kerk voorstond, (iroen daarentegen een voor Kerk en Staat lastigen band begeerde. Groen's antwoord luidde: „Uwe vrijheid is knellender band; zij is het middel om te komen tot alleenheersching van den Staat. Gij zegt: de Kerk is vrij; dat is, ik ben van U bevrijd: ik kan mijn eigen weg gaan. Neen, dit rnoogt ge aldus niet; want Kerk en Staat, onafhankelijk beide, reiken elkander, waar onderwerpen van gemeenschappelijk belang zijn, in gemeen overleg de hand. Zal men hebben een Etat af hét', of wel, zoo als Guizot het uitdrukt ', een Etat laïque? dit is hier de vraag." ')

Eene „uitnemende toelichting"2) van de verhouding gaf dc Stmi<hiar<l van 31 October 1872: „Ook bij de radicaalste scheiding tusschen Kerk en Staat, blijft de Kerk van de Staatsverordening afhankelijk, aan de Staatswet onderworpen. En evenzoo nu eischt ons beginsel, niet dat er voor de Kerk een voordeel, een privilege, maar dat er weerkeerigheid besta. Dat, even als de Staat de Kerk verplicht zijn Staatswet te eeren, de Kerk ook van den Staat eische, dat op het stuk van godsdienst en zedelijkheid met haar leveiunrrf worde gerekend."

In elk geval moest de gelijkstelling der gezindheden in christelijken geest, niet „in revolutionairen en atheïs-

') Adv. II, bl. 272, 273, noot 1: „Eene scheiding, gelijk ze dooide vrijzinnigen begeerd wordt, noemt Guizot: „Séparation de 1'Kglise et de 1'Etat, grossier expédient <[iii les abais.se et les att'aiblit 1'un et 1'autre, sous prétexte de les affranchir 1'un de 1'autre."" Zie ook bl. 273 hierna.

'•) Neu. Gi:d. IV. bl. 377, waar ook het citaat uit de Standaard is overgenomen.

Sluiten