Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet aan den Staat, die Kerk en Diaconie beide, in al wat de „vrijzinnige theorist" ') publieke dienst gelieft te noemen, liefst als dienstbaren zon beschouwen is de Diaconie onderworpen, maar aan een in eigen sfeer onafhankelijke Kerk; zij alleen heeft het recht voor hare diaconieën regels te stellen, en daar toezicht op uit te oefenen.

Een verschil tusschen dit ontwerp en het vorige lag in de opvatting van het recht van den Staat, om zich met de armverzorging, niet van de Overheid uitgaande, in te laten. De vorige Minister deed zijn gevoelen steunen op artikel 195 der Grondwet (redactie van '48) volgens hetwelk de armenzorg, in den ruimsten zin des woords, bebehoorde tot het gebied, dat door den wetgever werd beheerscht. Deze Regeering achtte de kerkelijke en particuliere liefdadigheid voor wettelijke regeling vatbaar „om den pligt die op den Staat rust, uit een oogpunt van politie." '-) Wel merkwaardig is, dat in de Memorie van Toelichting de bedoeling van artikel 195 in het midden is gelaten; aldus het Voorloopig Verslag. Daarin werd voorts opgenomen dat de meerderheid van oordeel was, dat met het woord „armbestuur" in de eerste zinsnede van het bedoeld artikel alleen kon zijn bedoeld dat armbestuur hetwelk van de Regeering of van den Staat uitgaat.

Groen was gerust noch op artikel 195 noch op een algemeen politierecht ; welk van de twee ook als grondslag werd aangenomen, de zelfstandigheid der kerkelijke liei-

') Ned., no. t>2t>. s) Adv. I, bl. 439.

Sluiten