Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gorden tot een geheele nieuwe organisatie van haar bestuur." Groen schreef hierop: „Dit is, dunkt mij, eene solutie, onjuist in blijmoedigen eenvoud. Eene petitio l)rincii>ii. De Synode bestuurt wettig onze Kerk; de Synode is wettig orgaan cener vrije kerk, zegt men. Waaruit is die wettigheid ontleend'? Uit de usurpatie van den Staat?"

„De Synode" aldus vervolgt Groen, „is niet anders dan eene begunstigde staatskreatuur. Haar onafhankelijk beheer is voortzetting eener in aard en oorsprong onwettige. organisatie. Voortzetting van een maatregel waardoor in 181(i de Kerk, in den vorm van kerkgenootschap ') werd aan band gelegd, verscheurd en prijs gegeven aan een quatenus -), dat nu bijkans het nee plus ultra van teugellooze ongeloofspropaganda 3) bereikt."

Toen Groen in 1862 het lidmaatschap der Kamer weder aanvaardde J), verklaarde hij te berusten „in den gegeven toestand van een niet-christelijken, maar evenmin antichristelijken Staat." Wat hij thans verlangde was: „Scheiding van Kerk en Staat in christelijken, niet in antichristelijken zin. Scheiding, omdat vereeniging slavernij

') Zie terug bl. 88, noot 2.

Zie de verklaring dezer uitdrukking in hfst. IV. De Afscheiding van de Herv. Kerk in 1834, bl. 110 e.v.

:l) Zie terug bl. 83, noot 2.

J) Bij de aanneming van de wet op het lager onderwijs in 1857 had Groen voor liet lidmaatschap bedankt; zie Adv. I, bl. '-XV,

dan zijn Open Brief aan de kif.zersvereeniging Nederland

en Oranje te Leiden van Aug. 1857 en verder de hoofdstukken Onderwijs en de Verhouding van Staat en Kerk.

Sluiten