Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeker richtsnoer; zij had slechts te zien, wat de belijdenis was van de kerk, waarover het ging.

Die belijdenis was het criterium, de eigenaardigheid, waarnaar de Hegeering zich kon richten. In hare houding tegenover het Kerkgenootschap van 181<> lette de Regeering niet op dat eigenaardig kenmerk, en meende aldus volkomen onpartijdig te zijn. Groen betwistte dit, en verweet haar, juist altijd op te komen ten bate van de bestrijders der kerkleer'), zoodat aan den eiseh van bescherming niet werd voldaan. Die bescherming bracht echter ook mede, dat de Regeering gemeen overleg moest plegen met de gezindheden, wanneer onderwerpen behandeld werden, welke met het godsdienstig leven der natie in verband stonden.

Toen de Paus in 1852 de Roomsche Kerk hier te lande wilde organiseeren-) had het Hof van Rome aan ons Gouvernement gevraagd, of het zich ook aan het concordaat van 1827 wilde houden en of het voorts nog „overleg omtrent eene andere schikking" verlangde? Het antwoord luidde: „gij kunt doen wat gij goedvindt; gij zijt volkomen vrij; organiseer U naar welbehagen en ik zal het goedkeuren."8)

Door deze onbepaalde vrijheid te verleenen, had de

'I Met „bestrijders der kerkleer" bedoelde Gr. zoowel de Synode, welke haar taak, de leer te handhaven, verwaarloosde, als in liet algemeen vele leden van het Kerkgenootschap, welke feitelijk geen leden meer waren der Herv. Gezindheid, en zich niet ontzagen als bestrijders der leer op te treden. Zie ook terug bl. 81, tweede alinea.

') Zie lifst. V: De organisatie van de Roomsche Kerk.

') Adv. II, bl. 3(Xi.

Sluiten