Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder eenige aanduiding van een misdadig feit, zonder eenige opgave van wet; men achte zich niet geregtigd tot willekeurige aanvulling van het wetboek van strafregt, en dat wel met eene straf die, nadat zij, lang of kort (naar mate van gegoedheid of armoede) geplaagd, gedrukt en uitgemergeld heeft, eindelijk tot den bedelstaf brengt." ')

LTit de opgave dezer artikelen blijkt, dat de schending van de meeste in verband stond met de inkwartieringen; dit nioet ons niet verwonderen, waar Groen deze noemt fait le plus grave et le plus déplorable dont il soit fait mention dans eet écrit" '-) (d.i. in De Maatregelen enz.)

De Afgescheidenen hadden evenwel nog andere rechten dan „die welke zij met alle Nederlanders bezitten. Zij zijn leden eener Gezindheid die de openbare orde of veiligheid niet stoort.... Dus hebben zij, volgens Art. 19d der Grondwet, regt om in hunne openbare Godsdienstoefening niet te worden belemmerd." :i) Daarenboven hadden zij aanspraak op de „gelijke bescherming," welke kiachtcns artikel 191 „aan alle godsdienstige gezindheden in het Koningrijk bestaande" moest worden verleend.

Dat het genot dezer rechten hun niet werd toegestaan, bleek uit den tweeledigen grond, „waarop de veroordeeling van de Afgescheidenen, als van leden eener nieuwe Gezindheid, wordt gebouwd: Art. 291 van het Wetboek van Strafregt en het woord besten tilde, in Art.

'I De Maatregelen enz., bl. 51, 52. 'I 1K37 en 1853, bl. 32. ) De Maatregelen enz., bl, 53.

Sluiten