Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehouden, maar verbroken te worden. — Het is bepaaldelijk aan de Regeering dat de Grondwet de handhaving van de dierbaarste aller vrijheden opgelegd heeft: „<!<• Koning zorgt dat geen godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening die de Grondwet waarborgt Art. 196." »)

Zou het „in 1814 en 1815, toen de lof van milde en vrijzinnige begrippen geheel Europa doorklonk, de meening der Grondwet geweest" zijn, en was het betamelijk, „dat, in Nederland en onder een' Vorst uit een bij uitnemendheid Godsdienst- en vrijheidlievend Geslacht geen twintig menschen zonder toestemming van het Gouvernement een gebed, een lofzang tot God mogen heffen ?" -') Met een beroep „op de herinnering aan dien heugelijken tijd" (n.1. van 1815), meende hij, dat de veroordeelingen, die thans werden aanschouwd, toen niet mogelijk waren geacht; zeker waren ze niet in overeenstemming met den geest der Grondwet, noch met de verklaring van Zijne Majesteit in de dubbele vergadering der Staten-Generaal te Amsterdam „dat de gewetensvrijheid gewaarborgd was in den volsten zin.''

Wat de uitdrukking van de Grondwet „bestaande Gezindheden" betreft,3) daaraan hechtte hij dezen zin. De eenvoudige beteekenis van het woord liet hij rusten, doch hij lette „op de plaats waar het zich bevindt; name-

') De Maatregelen enz., hl. 58. a) , „ bl. 55».

8) Zie ook Mr. J. T. Buys, De Groudicet, Toelichting eti Kritiek, II, bl. 505.

Sluiten