Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zeidc o.a., herinnerend aan de „levendige woordenwisseling, op 9 Juli 1850": „Het werd, door iedereen en ook door de Ministers, beschouwd als strijdig met de Grondwet, doch er was, of scheen te zijn, verschil tusschen den Minister van Binnenlandsche Zaken ') en den Minister van Justitie. De eerste dacht dat onmiddellijk de bepalingen, waardoor de Afgescheidenen in exceptionnelen toestand geplaatst zijn, :1) buiten toepassing konden blijven; de Minister van Justitie beweerde dat met de intrekking, die ook hij wenschelijk en noodig achtte, moest worden gewacht tot na de aanneming van de wet op het regt van vereeniging." J)

Zóó sterk keurde Groe.v het vragen om erkenning dooide Afgescheidenen af, dat mede daarin een reden moet worden gezocht, waarom hij zich niet bij hen heeft aangesloten. Die reden „lag niet in <1e rechtstheorie van ecu geleerde" zooals Ds. Gispen meende,5) „maar in het pligtbesef van een lid der Gereformeerde Kerk." Het was in 1873, dat hij schreef: „Ik was van oordeel en hen het nog, dat door het vragen om autorisatie, het beginsel

') Mr. J. R. Thorbeckk.

') Mr. J. F. II. Nedermeijer ridder van Rosenthal.

*) Zie de letters c en d van het Kon. Besl. op bl. 146 hierboven.

J) Adv. II, bl. 290, zitting v. II Oct. 1852; /.ie ook llandd. u. d. Tweede Kamer der S.-G. 1852 53, bl. 4!t, en Ned. iio. (>H4.

s) In een opstel onder den titel: God in de Geschiedenis. — Iets over de kerkelijke afscheiding in Nederland sedert 1834, opgenomen in het Jaarboekje voor de Christelijk-Gereformeurde Kerk in Nederland voor 1874. Een en ander door Groen geciteerd in de Ned. Ged., V, bl. 291 en 292.

Sluiten