Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevolge had. Deze vormde de aanleiding tot den val van Thorbecke's eerste ministerie. Onder het Ministerie Van Hall. dat 15> April optrad, kwam de Wet op de Kerkgenootschappen tot stand. Voor wij nagaan, wat Groen over de gebeurtenissen van 1853, en voornamelijk over de genoemde wet, heeft gezegd, hebben wij te zien welke plaats de Roomschen innamen in zijne beschouwing van de verhouding van Staat en Kerk.

Zoowel vóór als na 18(52, in welk jaar Groen bij zijn terugkeer in de Tweede Kamer verklaarde den godsdienstlozen Staat te aanvaarden, ') verlangde hij voor alle gezindheden gelijke behandeling door den Staat, derhalve „eerbiediging van de regten zelfs van de R. C.

Kerk; " Telkens had hij „ook voor de R. Catho-

lijken, de regten gevraagd" ;l), die hij voor zijne eigene geloofsgenooten vorderde, nl. „vrijheid van Godsdienstoefening, vrijheid van de Kerk. vrijheid van onderwijs; alles behoudens toezigt '), maar buiten beheer van het Gouvernement." 5) Het was „ook uit eigenbelang, dat hij jegens (zijne) Roomsch-Catholijke landgenooten regt

'I Ni:i>. Ge». I, bl. 48. — Aldus berustend ,,in den gegeven toestand van een niet-Christelijken maar evenmin anti-Christelijken staat", begeerde hij „den onzijdigen Staat, die alle kerken gelijkelijk beschermt.". Zie ook terug bl. 91 onderaan en verder het zevende hoofdstuk.

'■') Bijdrage tot Herz. der G. W., bl. 86. Zie ook terug hfst. 1 Het Recht der Gezindii., o. a. bl. *23.

:') Adv. in de Dubis. Kam. bl. 60.

4) Zie voor dat „grondwettig toezicht" hfst. 111. De Oruams. v. d. Herv. Kerk. bl. 61, noot 2.

") Bijdrage tot Herz. der G. W., bl. 116. 117.

Sluiten