Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

evenals in 1841. ja, in dezen tijd van herleving van het ultramontanisme, nog veeleer dan in 1841, reden gevonden

had ,.het werpen van den twistappel te ontraden en

uitstel te bewerken. Ten anderen; dat de Regering, vooral in haar systeem, eene onvoorwaardelijke vrijheid aan de Roomsche Kerk verleend heeft; alsof er, onder de Grondwet van 1848, geenerlei toezigt van Gouvernementswege ne </uid resjmblica detrinienti capiat en geenerlei jus circa sacra bestond." >) ..//,-/ werkzaam toezigt, waarmede deze Regering in alle sfeeren, ook in de kerk, in alle deelen en onderdeelen van den Staat, zooveel op heeft , -') was hier ver te zoeken, dus was hare houding verre van consequent geweest.

In hoofdzaak kwamen Ghoen's grieven neer op deze dik. Dy lijdelijke houding door de Regeering aangenomen, noemde hij kortweg ongrondwettig. Deze passiviteit werd verdedigd op grond, dat het hier een zaak gold van louter godsdienstigen aard, hetgeen hij bestreed. Na de handelwijze tegenover de Hervormde Kerk, was het, nu de Roomsche Kerk zoo geheel vrij werd gelaten, opvallend hoe onrechtvaardig eerstgenoemde was behandeld.

«Miskenning van den zin en de bepalingen der Grondwet , zoo noemde hij „dit systeem van lijdelijk toezien." 3) Hij erkende, dat het „regtvaardig en pligtmatig (was), de Godsdienstige overtuiging der Roomschgezinden binnen haar eigen kring volkomen vrij te laten. Maar tusschen

') Ned., iio. 859.

'•') Nei». no. 860.

Adv. II, bl. 30U.

Sluiten