Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren dio bezwaren bepaald onoverkomelijk, b.v. tegen de artikelen 1 en (5. Artikel 1 luidde: „Aan de onderscheidene kerkgenootschappen wordt volkomene vrijheid gelaten, zich met betrekking tot alles, wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigenen boezem betreft, te organiseren onder verpligting van Ons dadelijk van hunne organisatie volledig kennis te geven en Onze goedkeuring te vragen op zoodanige bepalingen, waarvan de uitvoering niet zonder medewerking van het Staatsgezag kan plaats hebben". De eerste alinea van Artikel (> bepaalde: „Zetels of standplaatsen van bedienaren der openbare godsdienst of van vergaderingen, kerkgenootschappen vertegenwoordigende, worden niet opgerigt, aangewezen of veranderd, dan nadat wij in het belang deiopenbare orde en rust de geschiktheid der plaats beoordeeld en erkend hebben." ')

„In het belang van alle tjezhtilheden, ook van de grondwettige Godsdienstvrijheid der Rooinsch-Katholteken", drong Groen aan op eene nieuwe redactie dezer artikelen. -) „Noch Artikel 1, hetwelk in de rekbaarheid zijner uitdrukking, aan de willekeur van het Staatsgezag voet geeft; noch Artikel (>, hetwelk de oprigting van elke gemeente van het welgevallen der regering afhankelijk maakt, zou voor ons aannemelijk zijn. Vrijheid van godsdienstoefening zou dan enkel door de u rat ie der Rer/erinij bestaat!. Ook aan de erkende Gezindheden zou de uit-

l) Zie liet gelieele ontwerp van wet in De Ned., no. S(2(i. ") Ned., no. 955.

Sluiten