Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijdelijkheid van het vorig Ministerie, en vooral tot het veldwinnen der Jesnitisch-reactionaire rigting hier en elders, een algemeen verlangen naar terugkeer tot die echt-vaderlandsche staatkunde welke, met de regten van allen, ook de gewetensvrijheid en de souvereiniteitsregten der wereldlijke overheid handhaaft en beschermt. Er zijn niet, als in 1848, revolutionaire demonstratien geweest. Er was eene natie die, gebruik makende van een grondwettig regt, aan de Overheid niet de wet stelde, maar eene nuttige les gaf: en die, aan eigen geschiedenis gedachtig, <>i> den eisch der omstandigheden, beter dan Ministerie en Volksvertegenwoordiging, gelet heeft." ')

De politiek van „apaisenient" -), welke door het Ministerie van Hall gevoerd werd, deed den Minister van Justitie :!) zeggen, dat de wet op de kerkgenootschappen als 't ware een spons was, juist geschikt om alle minder aangename herinneringen daaraan verbonden, uit te wis schen. „Tot vergeven en vergeten" was Groen evenzeer „geneigd," maar hij verklaarde, dat niet met de spons mochten worden uitgewischt „de lessen welke de geschiedenis, ook van de laatste maanden," had gegeven. „Veeleer zij men, in het belang van het Vaderland en van alle Gezindheden, gedachtig dat de proefneming der Ultramontanen, om, door middel der vrijzinnige begrippen,

') Ned., 110. !I87.

'-) Groen zeide 15 Nov. 1855, dat de politiek van het Ministerie aldus was gekarakteiiseerd door den Min v. Buitenl. Zaken, Mr. F. A. Bars. van Hall; Handd. v. d. Tweede Kamer der S.-G. 1855 50 lil. 72.

:') Mr. D. Donker Curtius, in de Tweede Kamer, 8 Sept. 1853.

Sluiten