Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Nederland werd nog slechts door woorden uiting gegeven aan dergelijke gevoelens. Zoo werd op laaghartige wijze gesmaald „op al hetgeen in de volkshistorie aanspraak op de bewondering van het nageslacht heeft," en werd b. v. „Willem I, naast wien ook zoo vele Roomschgezinden ter verdediging van 's Lands vrijheden hebben gestaan voorgesteld .... als een eervergeten hv icheJaur tl ie met God en i uemchen gespot lieeft." •) Over eenige Protestanten, die in Toscane voor hun geloof hadden geleden, en voor wie ook liier veel sympathie werd gekoesterd, werd als van „beltigcheiijke figuren" gesproken.

Toen de aanstaande invoering der nieuwe organisatie van de Roomsche Kerk dan ook bekend werd, vond Gkoen het tijdstip daarvoor niet gelukkig gekozen. „De gelijkheid der Gezindheden wordt, waar Rome de overmagt heeft, miskend, de geloofsvervolging tegen Evangelische Christenen is weder begonnen; het ultramontanisme verbergt de bedoeling om de Protestanten te verdelgen niet meer; het herlevend Jesuitisme, door reactionaire Gouvernementen ondersteund, is op de vernietiging van Godsdienstige en politieke vrijheden bedacht". -')

De organisatie was niet het doel, maar alleen een middel, om te komen tot alleenheersching; deze bedoeling schemerde duidelijk door in de pauselijke allocutie. In het oog vallend was rde uitgestrektheid tier verwachtingen van liet Ultramontanisnie, op grond der onwillekeurige mede-

') Adv. II, hl. 810. Ned. no. 849.

Sluiten