Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen de revolutie in 1795 in ons land haar intrede had gedaan, eischte de Staat ook de school voor zich op. De Hervormde Kerk, voor een groot deel afgevallen van het geloof, liet zich willoos „afdrijven . . . met den stroom der eeuw," en niet ongaarne zag zij hare taak, wat het schoolwezen betreft, overnemen door een Staat, voor wiens alvermogen de revolutionaire wanbegrippen ook haar hadden leeren bukken. „De staat acht (te) zich geïegtigd en verpligt het onderwijs, naar eigen goedvinden, te 1 cgelen en te besturen, zonder daarin door de regten van kerk of huisgezin te worden beperkt. Volksopvoeding van staatswege op de algemeene volksschool, zonder onderscheid van gezindte, zoodat in godsdienst en zedekunde al wat ergenis zou kunnen geven geweerd en nevens de openbare school, een onderwijs van minder algemeen godsdienstigen aard niet gaarne gezien wordt." ') Daarmede waren derhalve de neutraliteit en de voorrangdei- staatsschool uitgesproken.

Reeds in het eerste jaar der 19de eeuw, toen Nederland reeds geheel onder den invloed van Frankrijk stond, en het verlies onzer onafhankelijkheid aanstaande was, kregen wij de eerste schoolwet; zij diende, „ter vorming van deugdzame menschen en nuttige leden der maatschappij." Het „Bijzonder onderwijs (was) vrij", terwijl liet „schooltoezicht bij voorkeur aan kerkelijke personen" was opgedragen.

Deze wet was geen lang leven beschoren, immers volgde

') Handb. der Gesch., hl. »>80.

Sluiten