Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

king der wet, en met de „wederaanknooping der betrekking van school en kerk. (ieen kerlijetiootschappeJijkleerstellig onderwijs, (werd gegeven) maar gebruik van den Bijbel en onderwijs in de christelijke godsdienst, voor zoover het liistoiisrli en zedekmidi(j gedeelte betreft (en) voorbereidend godsdienstig onderwijs" waren voorgeschreven. Daarbij berustte „het toezigt meerendeels bij de predikanten, (en waren) de onderwijzers bijkans zonder uitzondering leden der Hervormde kerk." ') Hij was ervan overtuigd „dat de wetgever Christelijk onderwijs en vrijheid van bijzondere scholen gewild heeft;" -') in hare strekking naar „christelijken zin" noemde hij de wet „reactie tegen het onchristelijke van voorafgaande wetten." 8)

Hoe Christelijk de wet echter uiterlijk ook leek, de naleving van hare voorschriften „waarin voor geloof en vrijheid gezorgd" werd, was „onmogelijk .... om het beginsel waaraan ook deze Wet, blijkens haar oorsprong en inhoud, ondergeschikt is." Mocht Groen de maatregel als zoodanig voor dien tijd en in die omstandigheden goedkeuren, het stelsel noemde hij „verkeerd." Het bestond in de „vereeniging der (chrixtelijke gezindten oj) de school van overheidswege, in het belang van volkseenheid en nationale kracht." ')

Dit stelsel was uitvloeisel van ,.de verderfelijke stelling . . . ., dat de Staat, afneftcheiden van de Kerk. het retjf

') Handb. der Gesch., ld. 08!>.

') Adv. II, bi 118.

') „ „ bi. 181.

') Handb. der Gesch., I>1. 742.

Sluiten