Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De hoofdgedachten der adressen tegen de wet waren de volgende. „Dat, in eiken Staat, voor de openbare school op de godsdienstige behoefte der bevolking moet worden gelet; dat de hoedanigheid en hoeveelheid van de godsdienst ook niet voor de school aan het goedvinden van den wetgever mag worden overgelaten; dat er op de openbare instellingen geene conventionele godsdienst zijn mag. waarbij het publiek regt der gezindheden in vergetelheid raakt; dat de natie openbare scholen moet verlangen, voor de bevolking die prijs op haar geloof stelt, bruikbaar; .... Dat de Protestanten .... niet meer verlangen dan hetgeen tot dusverre door de Protestanten .... in het systeem der wet van 180(5 .... op de gemengde school mogelijk gekeurd werd: gemeenschappelijk, kan het zijn; zoo niet, dan voor de Protestanten op de afzonderlijke school. Geen algemeen voorschrift, maar ook geen algemeen rerbod van splitsing; vooral niet een paaijen met klanken .... zooals in het tegenwoordig ontwerp, alwaar, na de bepaling: de scholen zijn toegankelijk voor allen en voor iedereen van elke ergernis vrij; de nu ingelaschte phrase omtrent het „dienstbaar maken aan godsdienst en zedelijkheid", aan eene protexfatio actui contraria gelijk is."

De strekking der adressen was deze. „Kan men op de gemengde school een Christelijk onderwijs, niet in naam, niet in schijn, maar inderdaad behouden, bestendig

veel meer; een adres uit Amsterdam met 711, uit l'trecht met !tl!t." Van de „adressen vóór de wet" schrijft Groen- : „apparent rari nantes in gurgite vasto." Anv. II, bl. 150.

Sluiten