Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op dit alles geeft onze wet zoo goed als geen antwoord. Zij mist eene bepaling, hoe beslist moet worden, indien de benadeelde, wien de schade mede te wijten valt, vergoeding eischt.

Doch al regelt zij deze materie niet uitdrukkelijk, in het blinde laat zij ons niet rondtasten. Zij bevat eenige artikelen, welke dit punt aanstippen, en eenig licht verschaffen kunnen. Zoowel in het B. W. als in het W. v. K. vindt men uitspraken, waarin met de handelwijze van den benadeelde rekening wordt gehouden.

Ik noem ze hier:

„1846 B. W. Ook moet de lastgever den lasthebber schadeloos stellen, wegens de verliezen, welke deze ter gelegenheid van de uitvoering van zijn last mocht geleden hebben, mits hem te dien opzichte geen onvoorzichtigheid te wijten zij.

535 W. v. K. Bij aldien dit een en ander (aanvaring van twee schepen) door de schuld van wederzijde veroorzaakt is, draagt ieder zyn eigene schade.

540 al. 3 W. v. K. Deze vordering tot halve schadevergoeding heeft geen plaats, wanneer de schipper van het vastliggende schip door het botvieren der kabels of door het kappen van touwen, buiten eigen gevaar, de schade had kunnen voorkomen, of vanwege den aandrijvenden of aanzeilenden schipper daartoe vermaand zijnde, zulks niet heeft gedaan.

Art. 700 W. v. K. Wanneer inwendige gebreken van het schip, deszelfs ondeugdzaamheid tot het doen der reize, of schuld en nalatigheid van den schipper of het scheepsvolk, de schade of onkosten hebben veroorzaakt, zijn laatsgemelde hoezeer ten nutte van

Sluiten