Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 1846 B. W. deze regelt, is niet op schuld gefundeerd1). Evenwel lezen wij in art. 1846 B. W. dat, wanneer onvoorzichtigheid van den lasthebber in het spel is, de aansprakelijkheid van den lastgever ophoudt.

Wat de aansprakelijkheid van den aanzeilenden schipper betreft, waarvan art. 540 W. v. K. spreekt, de wet veronderstelt uitdrukkelijk in het eerste lid van dat artikel, dat de aanzeiling of aandrijving buiten schuld van schipper of scheepsvolk geschied is, doch sluit in het laatste lid die aansprakelijkheid uit, wanneer de benadeelde schuld had.

En hoewel de aansprakelijkheid van den vervrachter of inlader niet op schuld berust, zijn zij volgens art. 700 W. v. K. niet aansprakelijk voor de schade aan het schip hoezeer ten algemeene nutte toegebracht, wanneer den schipper of het scheepsvolk schuld valt te wijten.

Laat ik nu nog wijzen op § 1 van het Reichshaftpflichtgesetz, de wet, die in Duitschland de aansprakelijkheid van den bedrijfsondernemer regelt, luidend:

Wenn bei dem Betriebe einer Eisenbahn ein Mensch getödtet oder körperlich verletzt wird, so haftet der Betriebs-Unternehmer fiir den dadurch entstandenen Schaden, sofern er nicht beweist, dass der Unfall durch höhere Gewalt oder durch eigenes Verschulden des Getödteten oder Verletzten verursacht ist.

Hiermede meen ik genoeg materiaal aangevoerd te

') Zie Mr. Scholten in zijn proefschrift: „Schadevergoeding buiten overeenkomst en onrechtmatige daad." pag. 75.

Sluiten