Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Investment Clause" liet nu ook toe de registratie van die vereenigingen, die tot doel hebben bun leden levensmiddelen, kleedingstukken, huisraad enz. te leveren, de leden in staat stellend tot sparen door middel van winstverdeeling over den inkoop. Ze hield tevens de bepaling in, dat kapitaal besteed mocht worden voor opvoedingsdoeleindeu.

In 1846 werden dus voor het eerst de verbruiksvereenigingen rechtens erkend.

Maar ook deze wet was nog te eng. Vrijheid van handeldrijven, van het in vereeniging uitoefenen van eenig bedrijf was daarmee nog niet verkregen. Hierin kwam eerst verbetering door de invoering der „Industrial and Provident feocieties Act" in 1852. Door deze wet kregen de vereenigingen vrijheid van handeldrijven en met uitzondering van enkele takken, vrijheid tot het in vereeniging uitoefenen van eenig bedrijf.

Een nieuwe wijziging kwam in 1855 tot stand, toen kregen de vereenigingen grootere vrijheid in het aanwenden van grondbezit doch werd tevens weer verboden, dat een bepaling zou worden opgenomen voor opvoedingsdoeleinden. In 1862 is dit verbod weer verdwenen en bij deze nieuwe wijziging werd toegelaten een kapitaalbezit tot beloop van £ 200 en tevens de aansprakelijkheid der leden beperkt tot hun aandeelen.

Sluiten