Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Afbakening van de rechtsvraag.

Zijn de Nederlandsche koloniën rechtspersonen, ja dan neen?

Ziedaar de vraag, welker beantwoording ik mij in dit

proefschrift ten doel stel.

In den laatsten tijd is die vraag, in parlement en m literatuur, op den voorgrond getreden, en over haar oplossing loopen de meeningen van mannen van groot gezag uiteen.

Het onderwerp moest mij zoowel om zijn actueele beteekems als om zijn betrekkelijke nieuwheid aantrekken: de literatuur er van is schaarsch en meestal weinig principieel.

Waar ik hier van literaire schaarschte gewaag, vermoed ik dat mij een tegenwerping wacht. Deze: Is er niet een eemdmW-literatuur? En is, voor het bestaan van een schuld, niet het hebben van rechtspersoonlijkheid voorwaarde. Heelt niet de finantieele nood, waarin al de Nederlandsche koloniën, vooral Nederlandsch-Indië, ve.keeren, tal van vaardige pennen in beweging gebracht, en is daarbij niet telkens en telkens de finantieele verhouding, die tusschen moederland en koloniën

bestaat, ter sprake gekomen ?

Die vragen liggen zóózeer voor de hand, dat ik, ook ter juiste afbakening van het terrein, waarover mijn onderzoek zich uitstrekt, haar reeds aan den ingang met nadruk wensch te beantwoorden: de eereschuld valt buiten het terrein van onderzoek van dit proefschrift. Zij houdt met de in den aanhef gestelde vraag niet dan zijdelings verband. Immers, de eereschuld-quaestie is er een van praktische politiek, waar gezichtspunten van billijkheid en doelmatigheid den doorslag geven,

Sluiten