Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den minister van financiën om aan zijn collega van koloniën kredieten te openen, die liet bedrag der volgens artikel 33 in 's Rijks kas gestorte gelden niet mogen te boven gaan.

Wij hebben dus voor de inkomsten in Nederland eenheid van kassen, onverschillig of die inkomsten ten behoeve van het moederland of van Indië zullen worden aangewend. In hoever deze toestand wenschelijk is, in hoever hij aan „scheiding van de financiën" in den weg staat, deze vraag valt als een van politiek buiten het kader van dit geschrift. Even wil ik hier vermelden, dat zij grondig werd onder de oogen gezien door jhr. mr. J. Röell, bij de algemeene beraadslaging over het wetsontwerp houdende een geldleening ten laste van den Staat '). Terecht zeide mr Röell, bij deze gelegenheid: „Ik beweer volstrekt niet, zooals in de Memorie van Antwoord wordt voorgesteld: „„dat een gemeenschappelijke kas aan scheiding van „financiën in den weg zoude staan." " Dit geloof ik zelfs niet. „Wij hebben hier te lande daarvan eenigermate een voorbeeld „ten aanzien van de provinciale kassen, die ook beheerd worden „door de Rijksbetaalmeesters, en toch zal niemand daarom be„weren, dat er geen scheiding bestaat tusschen de financiën „van het Rijk en die van de provincie."

Wanneer mr. Röell het stelsel van eenheid van kas minder gewenscht acht, dan is het om deze reden, dat zij een der hoofdoorzaken geworden is, waardoor in plaats van ten name van Nederlandsch-Indië geleend werd ten name van „den Nederlandschen Staat." De minister van koloniën deed zich herhaaldelijk door zijn ambtgenoot van finantiën kredieten openen, en, zoo vaak deze de Indische middelen in Nederland overschreden, gaf de minister van financiën vlottende schuld uit, wier renten en aflossing de Indische begrooting moest dragen. Werd de vlottende schuld te overvloedig, zoo was consolideering ten name van den „Staat" het gevolg, en werd het eerste hoofdstuk van de Indische begrooting definitief met den rentepost belast.

Behoefde eenheid van kas niet noodzakelijk tot zulk een onlogische financierkunst te leiden, zij deed het, volgens den Utrechtschen afgevaardigde, nu eenmaal, en moest daarom zoo spoedig mogelijk uit de comptabiliteitswet verdwijnen.

') Handelingen der tweede kamer, 1904/1905, blz. 1293.

Sluiten